1.1 Spijsvertering en stofwisseling
Voedsel is van mond tot anus gemiddeld 24 tot 48 uur onderweg. Het wordt onderweg mechanisch verwerkt door kauwen en kneden, en chemisch door enzymen en hormonen (Voedingscentrum, 2026).
In de mond malen tanden en kiezen het voedsel fijn, speeksel maakt het verteerbaar. Via de slokdarm bereikt het de maag, waar spieren de inhoud kneden en maagzuur bacteriën doodt en de vertering verder op gang brengt. Vanuit de maag stroomt de voedselbrij de dunne darm in, waar de alvleesklier enzymen toevoegt en de galblaas gal voor de vetvertering. Door de sterk geplooide wand neemt de dunne darm voedingsstoffen efficiënt op in het bloed. In de dikke darm wordt water onttrokken en vormt zich de ontlasting (Voedingscentrum, 2026).
Dat je lichaam weet wanneer het genoeg energie heeft, of juist weer honger krijgt, is geen kwestie van wilskracht. Het is scheikunde. Een reeks hormonen stuurt voortdurend signalen tussen darmen, hersenen en alvleesklier (Coate et al., 2014; Ricardo-Silgado et al., 2021; Tack et al., 2021):
Leptine wordt aangemaakt door vetweefsel. Het vertelt de hersenen hoeveel energiereserves er zijn en remt honger.
Gastrine stimuleert de aanmaak van maagzuur (Schubert & Makhlouf, 2008).
Cholecystokinine (CCK) activeert de alvleesklier en galblaas en geeft een verzadigingssignaal af (Van Niekerk et al., 2024).
Ghreline, het hongerhormoon, stijgt voor een maaltijd en daalt erna.
GLP-1 vertraagt de maaglediging, onderdrukt de eetlust en stimuleert de insulineproductie.
PYY versterkt het verzadigingsgevoel.
Insuline zorgt dat glucose uit het bloed de cellen in kan, remt de glucoseaanmaak in de lever en bevordert een gevoel van verzadiging.
Amyline vertraagt de maaglediging, onderdrukt de afgifte van glucagon na de maaltijd, en stuurt verzadigingssignalen naar de hersenen.
Glucagon wordt afgegeven als het bloedsuiker daalt, bijvoorbeeld tussen maaltijden. Het stimuleert de lever om glucose af te geven aan het bloed. Interessant genoeg heeft glucagon ook een directe invloed op de maaltijdomvang: het stuurt een signaal naar de hersenen om eerder te stoppen met eten.
Secretine remt overtollige maagzuurproductie (Schubert & Makhlouf, 2008).
Samen vormen deze hormonen een complex communicatienetwerk tussen darmen, hersenen en alvleesklier, dat zowel de spijsvertering als de energiebalans reguleert (Coate et al., 2014; Miedzybrodzka et al., 2022).
1.2 Overgewicht en obesitas
Lichaamsgewicht wordt ingedeeld op basis van de Body Mass Index (BMI), een verhouding tussen lengte en gewicht. Een BMI tussen 25 en 30 geldt als overgewicht. Daarboven spreken we van matige (BMI 30 tot 35), ernstige (BMI 35 tot 40) of zeer ernstige obesitas (BMI boven de 40) (Partnerschap Overgewicht Nederland, 2023).
BMI alleen vertelt niet het hele verhaal. De buikomvang is een belangrijke aanvulling, want veel buikvet vergroot het cardiovasculaire risico, ook als de BMI verder normaal is. Steeds meer specialisten kijken daarom ook naar vetverdeling en metabole gezondheid, niet alleen naar het getal op de weegschaal (Nederlands Huisartsen Genootschap, 2025).
Obesitas verhoogt het risico op diabetes type 2, hart- en vaatziekten, slaapapneu, gewrichtsklachten, bepaalde vormen van kanker en psychische problemen zoals depressie (Partnerschap Overgewicht Nederland, 2023). Hoe hoger het gewicht en hoe ongunstiger de vetverdeling, hoe groter dat risico.
Obesitas brengt het hormonale systeem dat honger en verzadiging reguleert flink in de war. Het hongerhormoon ghreline blijft chronisch verhoogd. De hersenen worden tegelijkertijd steeds minder gevoelig voor verzadigingssignalen van GLP-1, PYY en CCK. Vetcellen produceren wel veel leptine, maar de gevoeligheid daarvoor neemt af (leptineresistentie). Het lichaam registreert zijn eigen energiereserves daardoor niet meer goed (Miedzybrodzka et al., 2022).
Na gewichtsverlies verdedigt het lichaam het vroegere gewicht. Het basaalmetabolisme daalt, ghreline stijgt en verzadigingshormonen nemen af (hello foodnoise!). Dit is een biologisch beschermingsmechanisme, evolutionair nuttig in tijden van schaarste, maar in een wereld vol voedseloverschot werkt het averechts. Het verklaart waarom terugval na afvallen zo vaak voorkomt, en waarom obesitas als chronische aandoening behandeling vraagt die verder gaat dan alleen dieet en beweging (Nederlands Huisartsen Genootschap, 2025; Partnerschap Overgewicht Nederland, 2023).
Obesitas wordt drie keer zo vaak vastgesteld als veertig jaar geleden. In 2023 had 16 procent van alle Nederlanders van 20 jaar en ouder obesitas, tegen 5 procent begin jaren tachtig. Ook de ernstigere vormen nemen toe: van 1 naar 4 procent. Dat zijn geen kleine verschuivingen (Centraal Bureau voor de Statistiek & Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2023).
Wat zeggen deze cijfers eigenlijk? Niet dat mensen ineens minder wilskracht hebben gekregen. De wereld om ons heen is veranderd, en ons lichaam reageert daarop. Dat verdient aandacht, geen oordeel.

Obesitas wordt drie keer zo vaak vastgesteld als veertig jaar geleden. In 2023 had 16 procent van alle Nederlanders van 20 jaar en ouder obesitas, tegen 5 procent begin jaren tachtig. Ook de ernstigere vormen nemen toe: van 1 naar 4 procent. Dat zijn geen kleine verschuivingen.
Wat zeggen deze cijfers eigenlijk? Niet dat mensen ineens minder wilskracht hebben gekregen. De wereld om ons heen is veranderd, en ons lichaam reageert daarop. Dat verdient aandacht, geen oordeel.
De cijfers komen uit de Gezondheidsenquête van het CBS en het RIVM, gemeten over meer dan veertig jaar. Ze laten zien dat obesitas een groeiend vraagstuk is, en dat meer mensen baat hebben bij goede begeleiding en eerlijke informatie.
1.3 Gezond gewicht en afvallen
Bij een BMI van 18,5 tot 25 kg/m² spreken we doorgaans van een normaal gewicht, waarbij iemand de minste gewichtsgerelateerde risico's heeft en de meeste jaren in goede gezondheid kan leven (Steensma et al., 2017).
Mensen met een normaal gewicht leven gemiddeld 2 tot 4 jaar langer dan mensen met obesitas; bij ernstige obesitas loopt dat verschil op tot 8 à 10 jaar (Fekri et al., 2019; Lung et al., 2018; Stenholm et al., 2017). Ook het aantal levensjaren in goede gezondheid neemt af bij (ernstige) obesitas (Jia et al., 2016; Steensma et al., 2013).
Gezondheidswinst begint al bij bescheiden gewichtsverlies. Afvallen van obees naar overgewicht is geassocieerd met een 54% lager risico op vroegtijdig overlijden vergeleken met aanhoudende obesitas (Xie et al., 2020). Slaapapneu vermindert sterk, gewrichtsklachten nemen af en het cardiovasculaire risicoprofiel verbetert. Elk kilogram minder draagt bij aan meer jaren in goede gezondheid.
Bronnen
Centraal Bureau voor de Statistiek & Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. (2023). Gezondheidsenquête.CBS/RIVM.
Coate, K. C., Hernandez, G., Shepard, B. D., Smith, J. A., & Bhatt, D. L. (2014). SnapShot: Hormones of the gastrointestinal tract. Cell, 159(5), 1200–1200.e1. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/25480303/
Fekri, N., Bhatt, D. L., & Bhatt, D. L. (2019). Association of body mass index with life expectancy with and without cardiovascular disease. International Journal of Obesity, 43(9), 1832–1840. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/31591485/
Jia, H., & Lubetkin, E. I. (2016). Population-based estimates of decreases in quality-adjusted life expectancy associated with unhealthy body mass index. Public Health Reports, 130(2), 146–156. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/26843684/
Lung, T., Jan, S., Tan, E. J., Killedar, A., & Hayes, A. (2018). Impact of overweight, obesity and severe obesity on life expectancy of Australian adults. International Journal of Obesity, 43(4), 782–789. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/30283076/
Miedzybrodzka, E. L., Gribble, F. M., & Reimann, F. (2022). The enteroendocrine system in obesity. Handbook of Experimental Pharmacology, 274, 235–258. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/35419621/
Nederlands Huisartsen Genootschap. (2025). NHG-Standaard Obesitas (aanpassing december 2025). https://richtlijnen.nhg.org
Partnerschap Overgewicht Nederland. (2023). Multidisciplinaire richtlijn overgewicht en obesitas bij volwassenen en kinderen. https://richtlijnendatabase.nl
Ricardo-Silgado, M. L., McRae, A., & Acosta, A. (2021). Role of enteroendocrine hormones in appetite and glycemia. Obesity Medicine, 24, 100342. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/34179564/
Schubert, M. L., & Makhlouf, G. M. (2008). Hormonal regulation of gastric acid secretion. Current Gastroenterology Reports, 10(6), 523–527. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/19006605/
Steensma, C., Loukine, L., & Choi, B. C. (2013). Comparing life expectancy and health-adjusted life expectancy by body mass index category in adult Canadians: a descriptive study. Population Health Metrics, 11(1), 21. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/24252500/
Stenholm, S., Head, J., Aalto, V., Kivimäki, M., Kawachi, I., & Vahtera, J. (2017). Body mass index as a predictor of healthy and disease-free life expectancy between ages 50 and 75: a multicohort study. International Journal of Obesity, 41(5), 769–775. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/28138135/
Tack, J., Verbeure, W., Maturin, P., Vanden Berghe, P., & Deloose, E. (2021). The gastrointestinal tract in hunger and satiety signalling. United European Gastroenterology Journal, 9(6), 727–734. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/34153172/
Van Niekerk, G., Pool, R., & Engelbrecht, A. M. (2024). Cholecystokinin and gastrin as immune modulating hormones: implications and applications. Cytokine & Growth Factor Reviews, 76, 88–95. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/39580238/
Voedingscentrum. (2026, 25 mei). Spijsvertering. https://www.voedingscentrum.nl/encyclopedie/spijsvertering.aspx
Xie, W., Lundberg, D. J., & Rosen, A. B. (2020). Association of weight loss between early adulthood and midlife with all-cause mortality risk in the US. JAMA Network Open, 3(6), e2011448. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32797174/

